donderdag 23 juli 2015

Big Fraud?

Hoe revolutionair is Big Data eigenlijk? Die vraag heb ik me de afgelopen weken gesteld. Ik zie nog niet veel bewijs dat het een enorme revolutie veroorzaakt. Ik zal enkele voorbeelden geven die mijn geloof in Big Data ernstig temperen.
Een veel aangehaalde uitspraak over Big Data is dat Google de verspreiding van griep beter kan voorspellen dan epidemiologen. Dit suggereert dat Big Data ons kan helpen om de gezondheidszorg wereldwijd te verbeteren. Helaas is deze uitspraak niet waar. Het gerenommeerde tijdschrift Science publiceerde in maart 2014 een artikel waarin deze bewering werd gelogenstraft. Google Flu, zoals het algoritme heet, miste bijvoorbeeld een uitbraak van de griep die niet in het seizoen was. Het lijkt er dus op dat Google Flu ook deels een detector van de winter is. Bovendien bleek dat drie weken oude data die verzameld werden in een Centre for Disease Control and Prevention (de Amerikaanse GGD) een betere voorspelling opleverde dan de real time informatie van Goolgle. Een van de problemen van Google Flu is dat Google haar zoekalgoritme continu aanpast. Dit beïnvloedt de dataverzameling. De auteurs zien wel in dat het misschien helpt als we grote datasets gebruiken, maar ze waarschuwen voor de gevaren. Het veranderen van de algoritmes is er één van. Een ander gevaar is dat mensen data manipuleren. Bedrijven doen bewust pogingen om bijvoorbeeld een tending topic op Twitter te worden. Internet genereert dan misschien wel veel data, maar veel is niet automatisch beter, en ook big data kunnen systematische vertekeningen hebben.
Experts doen soms ook rare uitspraken over big data. Neem deze uitspraak van Viktor Mayer-Schönberger, hoogleraar internet governance, en auteur over Big Data in de NRC van 1 juni 2013.
“Ook voor het onderwijs geldt dat (het gedetailleerder omschrijven van sociale ontwikkelingen JK), ik ondervind het aan den lijve. Mijn boek is ook digitaal beschikbaar. En Amazon stuurt mij een analyse van de vijf alinea’s die mensen het meest onderstrepen op hun e-reader. Tot mijn verbazing zijn het dingen die ik nooit had verwacht. Mijn intuïtie zit totaal fout. Als dit breder wordt toegepast zal de kwaliteit van leerboeken enorm verbeteren.”
Het ontgaat mij hoe je op basis van de gegevens over het onderstrepen van stukken tekst in de e-reader, tot een verbetering van de kwaliteit van leerboeken kan komen. Welke conclusie zou ik moeten trekken uit het feit dat mensen andere dingen onderstrepen dan ik had gedacht? Ik moet mijn boek herschrijven, want de lezer pikt de essentie van wat ik wil vertellen er niet uit. Of moet ik een nieuw boek gaan schrijven over de dingen die de lezers blijkbaar interessant vinden? En hoe weet je trouwens dat een leerboek niet goed is, als mensen andere dingen onderstrepen dan de auteur had voorzien?

Wat ik maar wil zeggen is dat de pleitbezorgers van Big Data er meer voordelen in zien dan ze op basis van de empirische gegevens kunnen waarmaken. Wat weer niet veel goeds beloofd voor het goed en eerlijk toepassen van Big Data. Als de pleitbezorgers data niet goed kunnen interpreteren, wat kunnen ze dan nog zeggen over het gebruik van Big Data in kennisprocessen. 
Deze post verscheen eerder op de blog van Ingoverment

Luie stoel

Menig adviseur schampert, nogal respectloos, over hoe oliedom die ambtenaren toch zijn. Hij weet wel hoe het moet. Vanuit zijn luie stoel heeft hij altijd gelijk. Waartoe dit kan leiden lieten de LPF ministers in het eerste kabinet Balkenende pijnlijk zien. 

Betweters kenmerken zich vaak ook door een gebrek aan kennis, gekoppeld soms aan een grote mate van naïviteit. Waarom maken ze nou niet gewoon een systeem dat alle gemeenten kunnen gebruiken, heb ik al menig ICT-er horen verzuchten. Het antwoord is simpel: omdat gemeenten autonoom zijn. En dus hun eigen keuzes mogen maken. Dat niet iedere gemeente daardoor eenzelfde systeem kan gebruiken, lijkt geldverspilling. Het is een gevolg van het veel grotere belang. Namelijk dat we niet willen dat Den Haag alles bepaalt. Discussies over geldverspilling, trage besluitvorming en inefficiëntie mogen nooit los worden gezien van het fundamentele democratische principe van locale autonomie. Zo voorkomen we dat Groningers net zo worden behandeld als Amsterdammers en zorgen we er voor dat Zeeuwse problemen op een Zeeuwse manier worden opgelost. Als we alleen maar praten over geld, vergeten we dat er meer is dan geld.

Zoals iedere Nederlander kan ik me ook ergeren aan vreemde beleidsmaatregelen of de manier waarop het wordt uitgevoerd. Maar ik hou niet van betweters, vooral niet van betweters die vanuit hun luie stoel alles beter weten. Laten we vooral niet vergeten zo af en toe onze zegeningen te tellen.

En over geld gesproken, Nederland doet het niet zo slecht. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik stel dat het Nederlandse openbaar bestuur tot de beste ter wereld behoort. Alles kan beter, maar Nederlanders zijn ook wel azijnpissers: altijd wat te klagen. Nederlandse bestuurders en ambtenaren hebben ook alle menselijke tekortkomingen. Maar we hebben een pers die overal over kan schrijven, een rechterlijke macht die zich weinig aantrekt van maatschappelijke debatten en hun eigen onafhankelijk oordeel geeft en, niet te vergeten, politici die ook luisteren naar mensen die het niet met hen eens zijn. Ik hoorde eens een hoogleraar (zijn naam ben ik echt vergeten) vertellen dat hij zeer verbaasd was dat hij werd uitgenodigd door Balkenende. Hij was het namelijk faliekant oneens met Jan Peter. Maar juist daarom nodigde Balkenende hem uit. Er zijn niet veel politici in de wereld die dat doen.  
Zoals iedere Nederlander kan ik me ook ergeren aan vreemde beleidsmaatregelen of de manier waarop het wordt uitgevoerd. Maar ik hou niet van betweters, vooral niet van betweters die vanuit hun luie stoel alles beter weten. Laten we vooral niet vergeten zo af en toe onze zegeningen te tellen.
Dit bericht verscheen eerder in Ingovernement

zondag 7 december 2014

Voorprogrammeren

Volgens het wikiwoordenboek betekent voorprogrammeren “van te voren instellen”. Dat vind ik een hele mooie definitie. Hij is helder en erg to the point. Wat ik ook mooi aan deze definitie vind is dat het heel direct verwijst naar gedrag, naar handelingen. Je ziet jezelf meteen voor je met de afstandsbediening van de tv, om die voor te programmeren. Met een druk op de knop heb je er voor gezorgd dat je je favoriete programma niet mist.
Het begrip programmeren heeft een veel complexere connotatiestructuur, het verwijst bijvoorbeeld naar maken, naar ontwerpen, naar techniek, naar structuur. Er zijn ook een heleboel soorten programma’s. In noemde al tv programma’s uiteraard heb je computerprogramma’s, maar ook beleidsprogramma’s, programmamanagement, concertprogramma’s, opvoedprogramma’s, de lijst is eindeloos.

Iets programmeren betekent in veel gevallen ook iets voorprogrammeren. Dus hele concrete handelingen vastleggen, van te voren instellen. De gedachten gaan al snel naar een tv of een thermostaat. Maar denk vooral ook aan mensen. De programmeur, of beter gezegd de opdrachtgever van de programmeur, is zich vaak niet bewust van de gevolgen die voorprogrammeren voor mensen kan hebben. Ik hoorde een tijd terug weer een leuk voorbeeld. Begin dit jaar zijn wij, eindelijk, overgegaan op windows 7. Dus alle laptops moesten worden gemigreerd. Dat gebeurde in een strak programma (daar heb je het woord weer!). Iedereen moest in een periode van twee weken zijn laptop ’s avonds inleveren. De volgende ochtend kon je hem dan weer ophalen. Je moest zelf, via internet, een afspraak maken. Een collega van mij was het bijna vergeten. Hij wilde nog snel een afspraak maken voor de volgende dag. Toen hij de afspraak wilde maken gaf het programma aan dat je een afspraak 48 uur van te voren moet maken. Het programma was voorgeprogrammeerd. Waarschijnlijk was dat voor iemand heel handig. Als je afspraken wilt inplannen, dan wil je niet dat je planning op het laatste moment nog wordt aangepast.
De voorprogrammering zorgde er nu voor dat mijn collega verschillende mensen moest bellen om te kijken of hij alsnog een afspraak kon maken. Hij had zijn laptop zelfs dezelfde dag al terug. Mensen zijn gelukkig niet helemaal voorgeprogrammeerd.

PARLEMENTAIRE ONDERZOEKSCOMMISSIE ICT

Ik verwacht niet dat de uitkomsten van de parlementaire onderzoekscommissieICT tot grote veranderingen zal leiden. Daar kan de Parlementaire onderzoekscommissie ICT ook niets aan doen. Het werk dat ze heeft verricht is zeker niet onverdienstelijk. De commissie ontleedt haarfijn de interactie tussen leveranciers, ambtenaren en politiek.
Zoals zo vaak neemt ook deze commissie het C woord in haar mond. Cultuurverandering. Altijd maar weer die cultuurverandering. Niemand weet wat een cultuur precies is, laat staan dat we weten hoe we het kunnen veranderen. Aan een heleboel dingen die de commissie noemt kan je namelijk niet veranderen. 
Ik zal enkele voorbeelden geven.


De commissie adviseert om de CIO Rijk meer doorzettingsmacht te geven. Het probleem is alleen dat een gebrek aan doorzettingsmacht hét kenmerk van het Nederlands openbaar bestuur is. De premier kan nota bene niet eens zijn eigen ministers ontslaan. Erg veel doorzettingsmacht heeft hij dus niet. Hij geeft leiding aan het kleinste departement met de minste bevoegdheden. De minister president is niet de baas van het kabinet. Hij is eerder de woordvoerder. Zo zien we het graag in Nederland. De macht is eerlijk verdeeld tussen alle partijen. En de partijen onderhandelen net zo lang tot ze een compromis bereikt hebben. Je zou het onze cultuur kunnen noemen. In de gateway review van het NUP in 2010 werd ook al geconstateerd dat de doorzettingsmacht van de CIO Rijk onvoldoende was. Maar als Mark Rutte al bijna geen doorzettingsmacht heeft. Waarom zal de CIO Rijk dat dan plotseling wel krijgen? U raadt het antwoord al: dat zal niet gebeuren.
Ook constateert de commissie dat er een gebrek aan regie is. Er is een enorme bestuurlijke drukte. Waardoor niemand meer weet wie het uiteindelijk voor het zeggen heeft. Maar dat weten we in Nederland heel vaak niet! Nederland is dol op commissies, samenwerkingsverbanden, onderzoeken en adviesraden. Volgens sommigen verlamt dit het Nederlandse openbaar bestuur, voor anderen is dit juist haar kracht. Het is wel weer typisch Nederlands. Cultureel dus. Zo werken we al eeuwen. En ik vrees voor Ton Elias hij niet de annalen in zal gaan als de man die ons Rijnlandse bestuursmodel heeft veranderd.
Want, willen we de ingewikkelde structuur aanpakken dan moeten we de bestuurlijke structuur versimpelen. Vergelijk het met de belastingdienst. We kunnen heel veel investeren om met ICT ingewikkelde regels uit te voeren. Maar we kunnen ook de regels versimpelen. Want een goede uitvoering is altijd makelijker als de regels simpeler zijn. En met een eenvoudige bestuurlijke structuur wordt de aansturing van ICT ook eenvoudiger. Maar de commissie ICT gaat niet over de bestuurlijke en ambtelijke aansturing van de hele overheid. Dus blijft de aansturing complex.
En tot slot de rol van de politiek. De kritiek is dat de politiek te laat reageert. Als het kwaad al is geschied, als het project al mislukt is. Meneer Elias, u bent zelf ook politicus. Zo werkt de politiek toch? De politiek reageert vooral op maatschappelijke onrust. En falende ICT kost geld, maar veroorzaakt geen maatschappelijke onrust: er vallen geen doden, er zijn geen schrijnende gevallen en zelfs de voorzitter van de Tweede Kamer weet niet waar het over gaat. Falende ICT kent geen urgentie en dus zal de politieke aandacht altijd gering zijn.
Kortom, veel zal er niet veranderen. Alleen als Nederland zelf radicaal verandert, zal ook de aansturing van ICT echt veranderen. Wat niet wegneemt dat alle kleine beetjes helpen. Kaasschaaf noemen we dan in Nederland.

Tot slot zie ik kansen voor ICT dienstverleners. De commissie wil dat het Rijk continu en structureel de juiste projectgegevens gaat verzamelen. Dat lijkt me een project van jaren waar je als ICT dienstverlener toch aardig wat geld mee kunt verdienen. Jullie hebben het niet van mij. 
Dit bericht verscheen eerder in InGovernment

MONDIGHEID

Transparantie lijkt een groot goed. Een transparante overheid maakt het immers voor burgers mogelijk om controle uit te oefenen. Als we niet weten wat de overheid doet, weten we ook niet of ze het goed doet. Toch is dat helaas wat te eenvoudig gesteld. Transparantie in theorie is iets anders dan transparantie in de praktijk. En dat heeft alles te maken met ons gedrag. Transparantie van salarissen zou in theorie bijvoorbeeld een regulerende werking moeten hebben. Iedereen weet wat mensen verdienen en zo kunnen de grootverdieners worden aangesproken op hun buitensporige salarissen.
Oud bestuursvoorzitter Karel Vuursteen van Heineken benoemt in een interview met de NRC van 16 augustus 2014 het effect op menselijk gedrag: ‘Er is een enorme vlucht gekomen in de ontwikkeling van salarissen. Dat komt door transparantie. Iedereen weet van elkaar wat hij verdient- en niemand wil degene zijn die het minste verdient.’ Ook consumenten reageren op transparantie, zoals directeur Steven van der Heijden van Corendon in diezelfde NRC constateert: ‘Internet heeft alles veranderd. Niet alleen qua verkoop, maar ook doordat klanten meer macht hebben. Als een hotel op recensiesite Zoover een 6,5 of minder scoort, dan is het meteen onverkoopbaar.’
Een zekere mate van vertroebeling is dus misschien niet zo erg. Als een hotel een 6,5 heeft gekregen, dan zijn er ook mensen die het een 8 hebben gegeven, niet alle staatsgeheimen hoeven op straat te liggen. Als alle snelheidscontroles bekend zijn weet je precies waar je straffeloos te hard kunt rijden.

Er zijn mensen die menen dat transparantie betekent het maken van rangordes in kwaliteit van scholen, universiteiten en ziekenhuizen. Met enige regelmaat hoor ik wetenschappers klagen over de ratrace van scoren op aantallen publicaties. Aandacht voor meer publicaties leidt tot ehh …meer publicaties. Scholen gaan oefenen op citotoetsen en zo leidt meer aandacht voor citotoetsen tot hogere citotoetsen, niet tot slimmere kinderen.
Maar gelukkig laat niet iedereen zich leiden door cijfers. Er gaan nog altijd mensen met veel plezier eten in middelmatige restaurants. En marketeers hebben ontdekt dat moderne mond tot mond reclame (door op facebook dingen te delen) ook zeer effectief is. Dus als de buurvrouw zegt dat ze ergens lekker gegeten heeft, is dat soms een betere aanbeveling dan cijfers op Iens. Gelukkig maar. Want dat is wat me altijd weer gerust stelt. We laten ons nooit helemaal gek maken door transparantiefetisjisten. En juist dat vind ik zo mooi aan Nederland. Er zijn genoeg mensen die zeggen dat transparantie niet de oplossing is. Mondige burgers die de vrijheid hebben om hun zegje te doen. Dat is ons grootste goed. Laten we dat koesteren.
Dit bericht verscheen eerder in InGovernement

donderdag 10 juli 2014

Schaduwbestanden

Iedereen heeft wel een Excel sheet met daarin gegevens die eigenlijk in het formele informatiesysteem moeten. Een schaduwbestand. Ik ontkom er ook niet aan. Ik zal enkele voorbeelden geven. Wij voeren zelf de cijfers in, in de studentenadministratie. In dat systeem mag je ook deelcijfers invoeren. Dat zijn cijfers van bijvoorbeeld werkstukken. Er is echter een probleem. Er mogen alleen voldoendes worden ingevoerd. Waarom weet ik niet. Niemand heeft me dat kunnen vertellen, maar je moet het er mee doen. Dus hebben we een schaduwadministratie waarin alle deelcijfers (dus ook de onvoldoendes) staan. Voor de studentenadministratie is een deelcijfer een cijfer gelijk of hoger dan 5.5. In onze eigen administratie mag een deelcijfer iedere waarde aannemen. Als het maar tussen 1 en 10 ligt. Ik heb ook lijsten van studenten per klas. Die kan ik ook uit ons systeem exporteren. Daarin staan alle studenten die voor een studie staan ingeschreven. Het zal u niet verbazen dat de presentielijsten die ik op basis hiervan maak anders zijn. Studenten geven soms aan dat ze niet meer op de lessen komen, omdat ze gestopt zijn. Maar het komt ook voor dat studenten van studierichting veranderen. En dat ze dus bij mij lessen volgen. In beide gevallen hoeft het niet zo te zijn dat deze veranderingen ook administratief zijn verwerkt. In mijn administratie staan studenten die ook informeel al zijn gestopt of overgestapt. In de officiële lijsten niet. Kortom een andere definitie. In mijn vorige werk moest ik uren boeken. In een prachtig Excel sheet hield ik bij hoeveel uren ik aan een project werkte. In het urenregistratiesysteem nam ik de uren op die ik officieel, volgens het contract, aan een project mocht werken. Ook hier weer twee definities: de uren die ik heb gewerkt in mijn Excel sheet, de uren die ik mag declareren in het urenregistratiesysteem. 
Schaduwbestanden ontstaan vaak omdat ze in een informatiebehoefte voorzien waarin de officiële systemen niet voorzien. Als oplossing wordt vaak voorgesteld om een database te maken waarvan iedereen gebruik gaat maken. Een canonieke database. Dat is goedkoper, het beheer van data is eenvoudiger, de data zijn van betere kwaliteit (actueel, consistent etc.) en al die schaduwbestanden kunnen eindelijk de deur uit. Wat ik met mijn voorbeelden wil duidelijk maken is dat dit helaas niet gaat werken. Schaduwbestanden bevatten data die wel erg lijken op de data in de officiële databases, maar ze zijn vaak toch net anders. Andere taken zorgen voor andere informatiebehoeften en dus voor andere definities van data. Semantische verschillen zijn principieel niet uit te roeien. Anders worden alle andere waarheden als niet relevant of, nog erger, als niet bestaand beschouwd. Gelukkig hebben we Excel. Dat is de grote redder van de canonieke database. Zo kunnen we toch nog doen wat we willen doen. Ik vraag iedereen om eens de proef op de som te nemen. Ga maar eens na welke data er in de Excel sheets staan en wat de exacte definities zijn van die data. Ik voorspel dat heel veel data net iets anders gedefinieerd zijn als de data die in de officiële systemen zit. Daardoor zijn de Excel sheets ook niet overbodig. Koester de verschillen. Ze zorgen voor pluriformiteit in uw organisatie. En voor medewerkers die de informatie gebruiken die ze echt nodig hebben.

Dit artikel verscheen eerder in Ingovernment

woensdag 23 april 2014

Hoezo proces?







Wat mij altijd weer opvalt in het ICT veld is dat organisaties als een soort computers, informatieverwerkende systemen worden gezien. Een organisatie is een systeem waar informatie ingaat, dan wordt die input verwerkt in een proces en komt er nieuwe informatie aan het eind weer uit. Denkend vanuit dat perspectief brengt de analist de processen in kaart en bepaalt hij de informatiebehoeften. We hebben immers informatie nodig om de processtap uit te voeren. Bijvoorbeeld voor het afgeven van vergunningen, het registreren van gegevens of het geven van informatie aan klanten. Ik weet niet wat u op uw werk doet, maar ik vind het een belediging om te zeggen dat ik een proces uitvoer. Je kunt al het werk ZIEN als een proces. Maar dat wil niet zeggen dat het een proces IS. Het is een metafoor. En een nogal mechanische metafoor. Een computer voert een proces uit. Menselijk handelen is veel meer dan alleen het uitvoeren van een proces. Godzijdank. Wat zou het leven saai worden als we alleen maar processen aan het uitvoeren waren. En stel je voor dat we al die processen volgens vaste procedures zouden uitvoeren. Max Weber zou zich in zijn graf omdraaien. Hij was helemaal geen voorstander van de onpersoonlijke, zogenaamd effectieve bureaucratie. Door een menselijk samenwerkingsverband te reduceren tot een serie van processen, laten we essentiele en zeer waardevolle kernmerken van mensen geheel buiten beschouwing. Mensen kunnen elkaar inschatten, ze kunnen improviseren, ze hebben verrassende inzichten. Als we het alleen hebben over processen dan reduceren we de mens tot een uitvoerder van een proces. En dat is in mijn ogen een heel instrumentele visie op menselijk handelen. Zodra de term informatie valt zet bijna iedereen (en niet alleen IT-ers) de instrumentele bril op. Namelijk dat informatie ontstaat als een werkproces wordt uitgevoerd. Maar informatieverwerking zit in veel meer aspecten van ons sociale handelen. Denk aan communiceren, inschattingen maken, nieuwe ideeën verzinnen. Het onderscheid tussen denken in termen van instrumenten en denken in termen van menselijk handelen laat zich goed beschrijven aan de hand van een allegorie. Als ik ruzie heb met mijn buurman zal een ICT-er een telefoonlijn aan gaan leggen. We delen immers te weinig informatie met elkaar.

Door een informatie-uitwisselingsmechanisme te introduceren wordt onze communicatie beter. Maar we willen helemaal niet communiceren! Als de informatie-uitwisseling slecht is, denken we dat daar een systeem voor nodig is. Slechte informatie uitwisseling is echter gewoon een ander woord voor geen of gebrekkige communicatie. Ik ga niet met mijn kwade buurman praten als ik een telefoon heb. De ruzie met mijn buurmanmoet worden opgelost. Die telefoonlijn is helmaal niet nodig. En als we eenmaal in gesprek zijn kunnen ze daarna wel samen bedenken wat ze aan IT ondersteuning nodig hebben. Nu wordt vaak eerst de (dure) telefoonlijn aangelegd en is iedereen verbaast dat die niet wordt gebruikt.
Dit bericht verscheen eerder op de blog van InGovernement